zondag 8 oktober 2017

Ubud - Campuhan Ridge Walk

Zalig geslapen in ons huisje midden in de jungle. We hebben een vrije dag vandaag en kunnen dus uitslapen maar om 7 uur zijn we al uit de veren. Benieuwd of het weer vandaag terug een beetje beter zal zijn. Wanneer we de gordijnen openen, zien we dat het weliswaar droog is maar nog steeds zwaarbewolkt. Ingrid neemt deze morgen alvast een heerlijk schuimbadje in de open badkamer. Na ons ochtend ritueel gaan we naar de ontbijtruimte waar we ook deze keer à la carte eten met bediening aan tafel. Er is keuze uit verschillende heel lekkere ontbijtformules. We worden opnieuw in de watten gelegd door de obers en we kunnen best wel wennen aan die luxe, daar winden we geen doekjes om. 


Het meest indrukwekkende deel van dit hotel is het ‘infinity’ zwembad, omringd door jungle met een prachtig uitzicht over de vallei. Het lijkt wel of het water overloopt in het oerwoud. Jammer dat het weer niet meezit want anders zouden we gewoon aan het zwembad gaan zitten om hiervan te kunnen genieten. Wanneer we terug wandelen naar de kamer, loopt er net voor onze voeten een grote hagedis over de weg. Van het verschieten botsen we bijna op elkaar. 


Vandaag gaan we de Campuhan Ridge Walk doen. Hoe vroeger hoe beter wordt ons aan de receptie gezegd want de zon kan ’s middags flink branden. Dat is een lachertje want ondertussen is de regen al terug van de partij. We nemen de shuttle bus van het hotel pas om 10u30 want er is geen vroegere. De chauffeur zet ons af bij het Ibah Hotel aan de Jalan Raya Ubud in het centrum. De andere gasten die in de bus zitten, vragen zich af wat we gaan doen. Ze kijken maar vreemd wanneer we zeggen dat we de Campuhan Ridge Walk gaan doen in dit weer, maar wat moeten we anders? We hebben in plaats van ons klein parapluutje de grote paraplu’s van het hotel meegekregen dus nat gaan we niet worden. Aan de linker kant lopen we een steile weg naar beneden in de richting van de brug. Net daarvoor staat de trekking al aangeduid. We dalen af langs een trap en komen op een modderig pad waar helemaal aan het einde een grote plas ligt. Die moeten we over om de trappen terug omhoog te nemen. Gelukkig hebben we onze teva’s aan dus verstand op nul en we pletsen er gewoon door. Nu lopen we langs een prachtige tempel een pad omhoog. Hier ontvouwt zich het adembenemende decor over de heuvelrug met aan weerskanten olifantengras en rijstvelden. Eens boven staan we op een smalle richel omringd door prachtige junglelandschappen en mistige wolken. 



We passeren wat Balinese kinderen die een sigaretje zitten te roken. Aan het eind van de trekking, wat een groot woord is voor deze wandeling, ligt Karsa cafe. We hebben een beetje dorst dus zetten we ons op het prachtige terras dat uitkijkt over een weelderige tuin, 2 lotusvijvers en uitgestrekte rijstvelden. Op de kaart staat er Turmeric Jamu, het plaatselijke detox drankje met kurkuma, gember, limoensap en honing. Klinkt lekker en het ziet er ook lekker uit want de man achter ons heeft dit ook besteld. Wanneer we onze lippen aan het glas zetten, komt er bij ons beiden een grimas op het gezicht. Het is verschrikkelijk bitter, ondanks de honing en eigenlijk niet te drinken. Ingrid gaat nog wat honing bijvragen want als we het wat zoeter maken, valt het misschien nog wel mee. We kappen bijna een vol glas honing bij het mengsel en dan nog zorgt het niet voor een glimlach op ons gezicht. De plaatselijke farao mieren daarentegen zijn helemaal in hun nopjes. De gemorste druppel honing op tafel, krioelt in no time van de beestjes die zich te goed doen aan de lekkernij. We drinken ons drankje snel op en gaan dan nog wat wandelen op het domein van Karsa waar zich ook een prachtige spa bevindt. Maar een massage is voor de late namiddag.



We wandelen terug naar het centrum langs dezelfde weg die we zijn gekomen en maken nog even een stop bij de prachtige tempel bij het begin van de trekking. Een grote hangbrug bengelt over de rivier onder ons. Weinig toeristen weten dat het kunstenaarsdorpje Ubud feitelijk is gesticht door twee westerse kunstenaars: Walter Spies en Rudolf Bonnet. In de jaren dertig werkten zij veel samen met een lokale kunstenaar, waaruit de kunstenaarsvereniging Pitamaha ontstond. Het zorgde voor een artistieke renaissance in het slaperige Ubud. Toen de eerste toeristen kwamen, trok dat veel nieuwe kunstenaars aan. Het lijkt wel of er in iedere Balinees een kunstenaar schuilt.


We komen het centrum van een andere kant binnen en hier zijn er veel mooiere winkeltjes dan daar waar we de eerste dagen in Ubud rondliepen. We gaan naar de Pasar Seni Market want Patsy heeft daar vorige maand net om de hoek twee schilderijen gezien en niet gekocht. Daar heeft ze nu spijt van dus ga ik ernaar op zoek. We wandelen wel 2 keer rond de overdekte markt maar de schilderijen zijn niet meer te vinden. Waarschijnlijk zullen er nog mensen verliefd geworden zijn op de apen die erop staan. We besluiten dan maar de markt zelf even binnen te wandelen. Hier zien we vooral op toeristen gerichte kunstnijverheid. We wurmen ons door de vele opeengepakte kraampjes door smalle gangpaden en genieten van de levendigheid. Iedereen probeert ons iets te verkopen, zodra we maar naar een souvenir wijzen. Niet op een agressieve manier maar uiterst vriendelijk. Hier komt het echt op afdingen aan!! Het moet zeker te doen zijn om 30% van de vraagprijs af te krijgen en met een beetje overtuigingskracht zelfs nog een beetje meer. 


Zelfs met boodschappentassen en op teenslippers zijn de vrouwen op Bali elegant. Het zet ons aan om toch nog maar eens de verschillende sarongs te bekijken. Er is er wel eentje die me bevalt maar het oud, gerimpeld en kromgebogen vrouwtje in de winkel gaat niet van haar prijs af. Haar dochter of winkeljuffrouw wil wel wat water bij de wijn doen maar het is toch nog te veel. We lopen door en komen na een tijdje terug. Ingrid gaat binnen en zegt opnieuw een te lage prijs in de ogen van het oude vrouwtje. Ze wordt boos en wij druipen af, zonder sarong.  


Zoals reeds gezegd, offeren de Balinezen elke dag een paar keer. De prachtige offermandjes uit palmbladeren waarin ze allerlei moois en lekkers verzamelen: bloemen, koekjes, rijst, tabak en geld, worden met de nodige hoeveelheid wierook, aangeboden aan de voorouders, de goden en de geesten. Overal zie je die kleine offers op de stoep en het is voor Balinezen heel beledigend wanneer je erop trapt. We moeten dus goed uitkijken waar we lopen. Het is al meermaals gebeurd dat ik per ongeluk bijna over zo een mandje struikel. Vooral hier in de drukke winkelstraten van Ubud op de smalle trottoirs is het niet evident de mandjes te ontlopen.  



‘Miss… excuse me miss… want a massage?’ horen we wanneer we door de straten lopen. Het zoveelste massagesalon probeert ons een massage aan te smeren. Zowel Ingrid als ikzelf houden van massage dus het is moeilijk om ons niet te laten meeslepen door het enthousiasme van de masseuses.  We hebben er al eentje gezien waar we waarschijnlijk straks terug zullen komen. Eerst gaan we naar Wayan Café en bakery, een adresje dat ons aangeraden werd door Maurina. Het is een gezellig café waar we ons even laten gaan. Na de wandeling van deze morgen hebben we een zoete zonde wel verdiend. De death by chocolate zou een aanrader zijn maar zowel Ingrid als ikzelf zijn zo niet voor donkere chocolade maar wat zie ik daar op de kaart staan? Carrot cake mmmmm dat zal ook wel lekker zijn. We verorberen een lekker groot stuk vergezeld van een heerlijk tasje thee. 


De avond valt en het is dus tijd voor onze massage. We wandelen terug naar de hoofdstraat en gaan binnen bij ‘Bali Healing’ voor een Abyhanga massage. Deze ayurvedische massage zou een zachte massage zijn die wordt gebruikt om het immuunsysteem te verbeteren en toxische stoffen uit het lichaam te verwijderen. We worden naar een kleine kamer gebracht waar twee massagetafels staan en leggen ons languit, reikhalzend uitkijkend naar wat komen gaat. Eerst worden er wat drukpunten gestimuleerd. Soms kan je iets volledig verkeerd inschatten – de start van deze massage behoort tot die categorie. Het frêle dametje gaat me daar te keer, jawadde... dat heb ik helemaal niet zien aankomen! Van de pure verwennerij waarvoor ik gekomen ben, blijft niets meer over wanneer ze zich op mijn nek en schouders fixeert en ze bewerkt alsof het bakstenen zijn. Nadien voelen we de warme olie op ons lichaam en zakken we weg in een soort diepe trance. Stilletjes ben ik jaloers op de deskundigheid van deze dames. Na een uurtje genieten, nemen we afscheid en besluiten nog snel een hapje te gaan eten.


We naderen het einde van weer een mooie dag en zoeken een chauffeur die ons terug wil brengen naar ons hotel. We zetten slechts twee stappen en dan staat er al eentje ‘Alila Hotel?’, vraagt hij vriendelijk. Even zijn we verbaasd, hoe kan die dat nu weten waar wij naartoe willen? Maar dan beseffen we dat we nog steeds met de grote paraplu’s van het hotel rondlopen waarop de naam duidelijk vermeld staat. De weg naar ons hotel lijkt langer dan deze morgen en net wanneer we ons een beetje ongerust beginnen te maken, draait de chauffeur de oprijlaan van Alila op.


Bij aankomst aan de receptie springt er al een mannetje naar beneden met paraplu om ons droog te laten uitstappen. Ze zijn hier werkelijk zonder uitzondering supervriendelijk. Leuk detail is ook dat het personeel ons bedje komt open leggen en de gordijntjes alvast dicht schuif – schitterend toch! We zullen vannacht ongetwijfeld dromen over de prachtige groene rijstvelden waarlangs we vandaag gewandeld hebben.


zaterdag 7 oktober 2017

Ubud - Elephant Cave en Gunung Kawi

Na een heerlijke nacht in ons zalige bed is de ochtend aangebroken. Het geluid van de kikkers in het rijstveld aan ons hotel, wekt ons. Bij het opstaan ben ik minder stijf dan verwacht al moet ik toegeven dat ik toch niet uit bed spring als een jonge deerne. Vooral die knie doet verdomd pijn, dat beloofd! De moesson heeft beslist om ons het leven zuur te maken en de eerste druppels vallen dan ook van zodra we ’s morgens ontwaken. Vaarwel zeggen is altijd lastig wanneer je je op een droomlocatie bevindt maar we weten nog niet waarheen we gaan dus misschien is die locatie nog wel mooier dan de deze. 


Na een heerlijk ontbijt checken we uit voor een volledige, gevarieerde dagexcursie. Surya staat ons al op te wachten met zijn mooie glimlach. Vandaag beginnen we met een bezoek aan een traditionele ‘Barong dans’, gebaseerd op de eeuwigdurende strijd tussen het Goede en het Kwade. De dans wordt uitgevoerd door de leeuw-draak Barong (het Goede) en Rangda, de heks (het Kwade). Begeleid door gamelanmuziek bekijken we het schouwspel. Het Franse gezelschap dat voor ons zit, vindt het hilarisch en gaat helemaal mee in het verhaal. Wat ons betreft kan het niet snel genoeg voorbij zijn want onze ogen vallen meermaals dicht. Balinezen vinden dit echt geweldig - onbegrijpelijk! 



Na dit spektakel zetten we koers richting Mas. Het was de plaats waar een groot priester uit Java, zijn huis had. Er is een legende dat toen de priester zijn houten stok in de grond stak er een wonder gebeurde. De stok werd een levende boom met gouden bloemen, waaruit het dorp zijn naam ontleent. De priester voorspelde ook dat al zijn nakomelingen zouden leven van het hout. En waar genoeg, het dorp is nu beroemd om zijn houtsnijwerk. Tientallen houtsnijwerk winkels liggen nu aan de hoofdweg. Elke arbeider heeft een bepaalde taak, zo is er één voor het uithakken van hout in groffe contouren, één voor het fijn bewerken, schuren, polijsten etc. Ze werken met vijf soorten hout: wit krokodillenhout, mahonie, teak, sandelhout en ebbenhout. Het nadeel van dit beroep is dat men last krijgt van de rug en dat vinden we niet zo heel vreemd als we zien onder welke omstandigheden de mensen werken, op de grond in kleermakerszit. Ook al is het resultaat indrukwekkend, dit houtsnijwerk kan me niet bekoren. Het ziet er zo gelikt en in mijn beleving kitscherig uit.


Omdat het water nog steeds met bakken uit de hemel valt, gaan we nog naar een batik fabriekje. Hier zien we hoe vrouwen de katoenen stoffen helemaal manueel inkleuren. Uiteraard kan er ook gekocht worden. De lucht klaart een beetje op en we trekken naar het restaurant Talisman. Hier hebben we een prachtig zicht op het oerwoud waardoor een rivier stroomt. Het water is bruin van kleur door al de modder. 


Vervolgens is de Goa Gajah of The Elephant Cave aan de beurt, een tempelcomplex dat niets aan de verbeelding overlaat. Vooraan zien we een fontein met zes beelden van vrouwen. Deze vrouwen hebben een pot in hun handen waar heilig water uit stroomt. Veel Hindoes en boeddhisten reinigen zichzelf met het water want volgens Surya zou dit alle rimpels laten verdwijnen. En we moeten zeggen, hij heeft wel een glad gezichtje voor een 48-jarige. Ingrid spurt dus naar beneden om haar gezicht nat te maken. Als dit niet helpt kan je ook nog altijd wat ‘facial exercise’ doen volgens Surya. We kijken hem aan en hij zegt al lachend ‘smiling, always smiling’. Dat lachen gaat ons niet zo goed af want  die regen werkt serieus op onze zenuwen maar we moeten verder. De  grot die bij deze tempel hoort, werd in 1922 voor het eerst ontdekt, maar stamt al uit de 11e eeuw. Voor de grot zien we een beeld van de boeddhistische godin Hariti. De ingang van de grot zelf bestaat uit een soort monsterlijk wezen met wijd open mond. Het duivelse gezicht met de bolle ogen en de grote oordoppen is de geest Bhoma die het kwade op een afstand moet houden. Eromheen bevinden zich sculpturen van bizarre dieren en mensen die in angst wegrennen. Binnen zijn er twee gangen in de vorm van een t-splitsing. Links zien we het beeld van Ganesha, de Hindoe god met vier armen en een olifantenkop, rechts de drie zogeheten linga’s, die drie gedaantes van de Hindoe god Shiva uitbeelden. Ook de natuur is hier prachtig. Bomen met indrukwekkende wortels en watervallen. Daartussen vele tempeltjes waar de monniken allerlei rituelen uitvoeren.  Normaal gesproken staan de tempels in Bali of in het teken van het Hindoeïsme, of het boeddhisme maar de Goa Gajah is een mix van beide religies. 



Op naar hoger gelegen gebied, we reizen verder naar Gunung Kawi, Berg der dichters. Deze tempel stamt uit de 11de eeuw en men vermoedt dat dit de begraafplaats is van koning Anak Wungsu en zijn vele vrouwen. De tempel ligt in een diepe vallei, te midden van prachtige rijstterrassen. We hebben een instant wow gevoel! Het zijn vooral de 7 meter hoge grot nissen en de eveneens in de rotsen uitgehouwen, ruïne van een boeddhistisch klooster die deze tempel zo spectaculair maken. Veel Balinezen geloven dat de mythologische reus Kibo Iwo de stenen monumenten heeft gemaakt. Met zijn enorme nagels zou hij de koningsgraven in 1 nacht uit de rotsen hebben gekrabd! De weg ernaartoe is prachtig met uitzondering van het eerste stukje waar verkoopstertjes hun uiterste best doen om je één en ander aan te smeren. We zijn het ondertussen gewend en lopen rustig verder. We heffen onze sarong op en dalen de 315 trappen af. We maken ons even de bedenking dat we al die trappen straks ook weer terug op moeten maar ja je moet er iets voor over hebben om dit wonder te aanschouwen. Het zicht op de eerste tombes is indrukwekkend maar een onweer is in alle hevigheid losgebarsten boven de tempel en een paradijselijk landschap, is plots veel minder paradijselijk als het regent. Het is een adembenemend mooie, vredige plaats en ik wou dat het zonnetje scheen. De weg terug omhoog is opnieuw fascinerend door de prachtige panorama’s op de rijstvelden maar wel een pak vermoeiender met onze teenslippers op die natte trappen vol plassen en paraplu in de hand. We denken niet dat we op 48 uur ooit zoveel regen hebben zien vallen. Bij ons zou je kunnen zwemmen in de straat. Hier zijn ze er duidelijk op voorzien.




Ons humeur daalt naar een dieptepunt, wat een rotweer. Surya probeert ons wat op te beuren en zegt telkens heel optimistisch dat het wat lichter wordt. ‘You can not order nature but it is only a little rain and it stays warm’. Tja wat mij betreft is de temperatuur nog veel te hoog maar de meesten onder jullie kennen Ingrid, dus ik hoef haar gezichtsuitdrukking hier niet te beschrijven zeker? 


Vanavond slapen we nog wel in Ubud maar we verhuizen naar een ander hotel op 20 km van het centrum want we willen ook de rust van de buitenwijken ontdekken. Surya rijdt dwars door de rijstvelden want het Alilia Ubud hotel ligt er middenin. Na het hectische Ubud, is de rust die hier overheerst geen overbodige luxe.  Bij aankomst worden we opnieuw heel gastvrij ontvangen met een fris doekje en een drankje. Onze eerste indruk bij aankomst is luxueus en echt Balinees. We worden naar de kamer gebracht en hebben het nu al moeilijk om ons te oriënteren. Trap op, trap af, hopelijk komt dit straks goed. De kamer is ruim met hoge plafonds en we hebben een klein terrasje. Vooral onze badkamer is indrukwekkend. Het bad staat namelijk in openlucht. We zitten nu te midden van de jungle en daardoor is de kamer wel wat vochtig. Ook hier krijgen we een gratis concert van de miljoenen krekels en kikkers die hier wonen in het groen rond het hotel. Op de kamer ligt er een apart stukje fruit, ‘salak’ oftewel ‘snakeskin fruit’ genoemd. Echt curieus, hoe de droge schil van die vrucht gelijkt op slangenhuid. Die droge, harde schil krijg je er moeiteloos af zonder je handen vuil te maken en binnenin vind je dan drie kleine, aaneengeplakte, witte stukken fruit rond een dikke, donkere pit. Niet zo gemakkelijk te beschrijven hoe de vrucht smaakt. Een beetje hard en niet echt zoet.


Tot vijf uur kunnen we aanschuiven in de gezellige lounge-achtige bar bij het zwembad voor de ‘afternoon tea’. We hebben nog 20 minuten dus we droppen alles in de kamer en zoeken de weg naar het zwembad. Na ik weet niet hoeveel trappen, komen we aan in de bar waar we een lekkere kruidenthee met bijhorend Balinees gebak kunnen nuttigen. De cake vind ik wat droog maar de groene pannenkoek met rietsuiker is heerlijk. We gaan terug naar de kamer om ons een beetje op te tutten voor het diner maar dan begint het weer heviger te regenen. Gelukkig staan er op de kamer twee reuze paraplu’s - ze zijn dit weer hier duidelijk gewoon. Bij het restaurant gekomen, krijgen we een tafeltje toegewezen aan de buitenkant van het terras. We zitten wel droog onder een afdak maar hier in de jungle vliegen meer insecten rond! Af en toe landt er eentje op onze tafel. Hopelijk gaan ze allemaal slapen wanneer wij ons eten krijgen. Zoals steeds worden we weer verwend: stoel wordt onder ons gat geschoven, servetje op onze schoot gelegd en heerlijke dipsausjes voor bij het lekkere brood op tafel gezet.  We gaan voor de pasta want de rijst komt ons stilaan de oren uit. De fettuccine arrabiata en de pasta met spinazie en champignons zijn beide heerlijk! Omdat we zo’n rotdag gehad hebben, besluiten we om ons maar gewoon verder te laten verwennen en kiezen we nog een dessertje. De pisang goreng is heerlijk met een bolletje ijs. Voor al dat lekkers betalen we hier 560.000 roepies (33 euro). Heel erg duur naar Balinese normen maar we krijgen wel een lekker warm handdoekje in onze handen gedrukt na de maaltijd. Wat extra luxe dat mag vanavond wel. 


vrijdag 6 oktober 2017

Ubud - beklimming vulkaan & Monkey Forest

Ochtendstond heeft goud in de mond! Pffff het is nog midden in de nacht wanneer de wekker ons genadeloos wakker rinkelt. Het lijkt alsof we nog maar net in ons bed liggen. Even zijn we gedesoriënteerd maar een nano seconde later realiseren we ons ‘we gaan een vulkaan beklimmen vandaag’! Surya komt ons ophalen voor de transfer naar de voet van de vulkaan. Je zou denken dat wij de enige idioten zijn die op dit vroege uur op pad zijn, maar niets is minder waar. Er zijn er nog die in deze regen naar Mount Batur afzakken. Ja jullie lezen het goed, het regent nog steeds in het paradijs dus heel veel zin hebben we er niet in maar Surya is optimistisch. Het wordt lichter daarboven zegt hij en de volle maan is goed zichtbaar.


Alle trekkers komen samen op een grote parking aan de voet van de vulkaan. We maken kennis  met Whyjan, onze gids. Samen met haar beginnen we aan de trektocht om tegen zonsopgang boven op de vulkaan Gunung Batur te zijn. We hebben geen idee wat ons te wachten staat en dat is misschien maar goed ook. Gelukkig hebben we eraan gedacht om een zaklamp mee te brengen want het is best lastig om in het donker te wandelen, aangezien we nauwelijks zien waar we onze voeten neerzetten. Het focussen en het wandelen in de zwarte lava op de steile helling is écht vermoeiend. Als ik op voorhand had geweten hoe vermoeiend dan was ik er waarschijnlijk nooit aan begonnen. Onze gids houdt er aanvankelijk goed de pas in maar wanneer ze verneemt dat we respectievelijk 51 en 59 zijn, besluit ze dat we het best wat rustigeraan mogen doen. Ze noemt mij m’am en Ingrid mama. Mijn conditie is toch niet meer wat het moet zijn, maar de overwegend jonge trekkers trappen ook soms op hun adem. We liggen redelijk aan kop maar na een half uurtje besluit Whyjan om haar god te vragen ons te beschermen en ze is niet de enige. De groepen na ons moeten ook noodgedwongen stoppen omdat hun gids plots op de knieën valt aan het enige tempeltje op weg naar de top. Na dit eerste half uur begint de echte steile klim en trap ik regelmatig op mijn adem. Het is zuchten, hijgen, puffen en zweten. Af en toe roept Whyjan ‘Everything ok mama?’ Na een 1 uur en 45 minuten durende beklimming, naderen we het hoogtepunt – de top op 1.717 meter hoogte. Ik ben kletsnat van het zweet maar voel me “high”. Misschien komt het door de cadans van het lopen, misschien door de koude of de volledige “go with the flow” overgave wanneer we getuige zijn van de adembenemende zonsopgang. Mijn hele lichaam vult zich met dankbaarheid, en geluk. Ja eenmaal boven, ben ik zo ongelofelijk blij en trots dat ik dit gedaan heb – what a view!! We hebben ‘good karma’ zegt Whyjan want de hemel is helemaal opengetrokken en het is heel helder waardoor we een prachtig uitzicht hebben op het blauwe kratermeer beneden, de Mount Agung vulkaan voor ons, die trouwens niets uitstoot, zelfs geen  klein rookpluimpje. Dat we daar zo bang voor zijn geweest!  Boven ons de volle maan en dan een tijdje later de goudoranje bol die een magisch licht over de bergen laat schijnen! Wow wow wow! Dichter bij de hemel kunnen we niet komen. Het is nog niet al te warm en eenmaal boven koelen we snel af en snijdt de lichte bergvries algauw door onze longen. Gelukkig ben ik op stap met een ervaren klimster en zij zorgde ervoor dat ik een extra trui en jas bij heb. Niet nodig dacht ik, maar niets is minder waar. Whyjan brengt ons ontbijt, een witte boterham met warme banaan ertussen. Vreemde combinatie maar het smaakt heerlijk!



Van zodra de zon hoog aan de hemel staat, klimmen we nog even verder naar de kraterrand. De ingestorte krater heeft een doorsnede van 11 km en is 200 m diep. De torenhoge Mount Batur is sinds 1800 al 24 keer uitgebarsten, waarbij iedere keer het omringende landschap vervormd werd. De laatste uitbarsting dateert van 1994. We zien het losse zwarte lavazand van de laatste uitbarsting maar ook het meer recente overdadig groeiende, groene gras op de oudere kraters. Hier voelen we de kracht van moeder natuur. Vulkanologen monitoren de vulkaan constant maar men kan nooit weten wanneer exact deze zal uitbarsten. Het is verbazingwekkend dat sommige Balinezen toch nog een huis bouwen aan de voet van de actieve vulkaan. Er zitten heel wat makaken bij de krater, waarschijnlijk omdat het daar lekker warm is. Whyjan geeft ons wat banaantjes om de apen te voederen. Plots springt er eentje in mijn nek. Er volgt dus een luide gil. Nee ik heb het niet zo met die beestjes. We besluiten om een foto te nemen van het monument als bewijs dat we weldegelijk zo hoog geklommen zijn. Boven op de steen zitten nog twee apen. Ken je dat gevoel van aangestaard te worden? Je haar komt recht omhoog en je krijgt ‘kiekeboebels’ over je hele lichaam? Wel dat gevoel heb ik wanneer één van de apen me met zijn indringende ogen aankijkt en klaar staat om te springen. Komaan Whyjan trek die foto nu al! Voor ik het goed en wel besef, volgt er opnieuw een gil wanneer de aap deze keer in Ingrid haar nek springt. 


Daarna beginnen we aan de klautertocht terug, fysiek minder zwaar maar wel uitkijken. Regelmatig ga ik onderuit en ook Ingrid schuift af en toe op de lava. We zitten dus al snel onder het stof.  Aan de voet van de vulkaan heb ik het gevoel of er een last van mijn schouders is gevallen. Onze kuitspieren zijn in ieder geval goed getraind vandaag. We zeggen onze gids vaarwel en geven haar een mooie fooi want die heeft ze wel verdiend. Deze morgen was ze nog redelijk stil, een beetje afwachtend maar naarmate de tijd vorderde, begon ze meer en meer te praten met ons. Ze is pas 26 maar heeft wel al 2 kindjes. 


Na dit geweldige avontuur rijden we helemaal tot aan het Danau Batur meer om de ‘fishfarms’ die zich op het water bevinden van dichtbij te bekijken. Van hieruit hebben we een prachtig zicht op de Mount Batur die we net beklommen hebben. 



Voordat we terugkeren naar ons hotel brengen we nog een bezoek aan de Tropical Plantation “Bali Pulina” waar we kennis maken met alle inheemse planten en hun bijhorende krachten. Op het einde van de tour maken we een stop op een prachtig viewpoint om de inheemse thee en koffie te proeven. Alle thee en de gewone koffies zijn gratis maar voor de bekende ‘Luwak koffie’, gemaakt van luwakbonen, moeten we 50000 roepia betalen (3,5 euro). De normale prijs is zo’n 25 euro per kop. De luwakbonen worden gemaakt van de uitwerpselen van de Luwak, een plaatselijk beestje. Hij lijkt wel een mix van een kat en een fret en heeft best een schattig snoetje. De vacht is grijsachtig met zwarte plekken erdoorheen. Het beestje eet de rode koffiebesjes en poept deze nadien in zijn geheel weer uit. Door het hele verteer-proces krijgt deze koffie een bijzondere smaak. Ik ben geen koffiedrinker, hoegenaamd niet maar wanneer mij gezegd wordt dat dit de duurste koffie ter wereld is en deze gemaakt is van ‘stront’ ja dan ben ik toch wel een klein beetje nieuwsgierig.  We bestellen dus letterlijk een “bakkie stront” met de naam Kopi Luwak. Vergelijken kan ik natuurlijk niet maar volgens Ingrid is de koffie niet slecht. Ik hou meer van de gember en de citroengras thee



We keren terug naar het hotel om ons op te frissen. Terwijl Ingrid wat rust aan het zwembad, besluit ik rustig mijn haar te wassen. Geen overbodige luxe met al dat stof van vanmorgen. Surya had een ontbijtje laten maken voor ons maar vermits we op de vulkaan al eten kregen, besluiten we dat hier op ons terrasje op te eten voor de lunch. Chicken sandwich, croissantjes, koffiekoekje en fruit. 


Na de lunch gaan we opnieuw op stap. Volgens de reisgidsen is het Monkey Forest een must-see wanneer je in Ubud bent dus zetten we dat deze namiddag gewoon op de planning. Het is op slechts 10 minuutjes wandelen van ons hotel en wandelen dat zijn we vandaag toch al gewoon. De plek heeft zijn naam niet gestolen. Op Bali hoef je nooit ver te zoeken naar een aapje want bij vrijwel elke tempel leeft wel een troep makaken maar deze plek spant de kroon. Zoals de naam al doet vermoeden is het Monkey Forest een natuurpark met een grote populatie nieuwsgierige, eigenwijze, maar vooral brutale makaken. De officieuze naam van dit park is het ‘Sacred Monkey Forest Sanctuary’. Om het park in te mogen moeten we 50.000 Roepia entree betalen. Omgerekend is dit zo’n 3,5 euro per persoon. Iedereen die me kent weet dat ik geen ‘fan’ ben van deze beestjes. Eigenlijk ben ik er gewoon bang van en de verhalen die ik gelezen heb over het park, maken mijn angst er niet minder op. De aapjes lijken schattig maar niets is minder waar, ze hebben heel scherpe tanden om voedsel (of een vinger) uiteen te rijten. Bovendien is er nog iets anders waar we alert voor moeten zijn, namelijk hondsdolheid. Dat komt op Bali best veel voor en de ziekte wordt o.a. overgedragen door apen.  Beginnen jullie te begrijpen waarom ik met een ei in mijn broek zit? Maar iemand zei ooit ‘op reis moet je je al eens ergens overzetten’ en die woorden ben ik niet vergeten dus wandelen we met een kleine aarzeling in de richting van de ingang.


Volgens de meest recente telling wordt het park bewoond door ruim 600 makaken, die in vier verschillende groepen leven dus ontwijken kan ik ze sowieso niet. Ze hebben bovendien niet de beste reputatie als het gaat om vriendelijkheid. In principe kun je ervan uitgaan dat wanneer je de apen met rust laat, zij jou ook met rust zullen laten, maar het blijven natuurlijk wilde dieren. Overdag zijn ze het actiefst en omdat ze niet bang zijn voor mensen kunnen ze schrikbarend dichtbij komen. Zeker wanneer je eten bij je hebt moet je goed op je spullen letten, want de apen zijn brutaal genoeg om je zakken af te tasten. Bij de ingang kunnen we bananen kopen maar een verwittigde vrouw telt voor 2 dus besluiten we dat maar niet te doen. De mevrouw van de verkoop zit er niet voor niets gewapend met een stok om de brutale apen weg te jagen.



De apen vliegen ons letterlijk om de oren en rennen om ons heen. Vooral de kleintjes zijn super schattig, maar de dieren zijn ook ontzettend listig. Zo stelen ze gemakkelijk je zonnebril van je neus om hem vervolgens compleet te vernielen. Er lopen wel wat bewakers rond die er trachten voor te zorgen dat de apen zich gedragen en dat is toch een zekere geruststelling. 


Dit heuvelachtig oerwoud heeft een mysterieus en sprookjesachtig voorkomen en veel bomen hebben een heilige status. Hier is een oude verzameling baniaanbomen bewaard gebleven, waarvan de Pule Bandak de belangrijkste is. Prachtig om te zien maar we zijn ook op onze hoede want ook tussen de luchtwortels van de reusachtige bomen ravotten de brutale apen.


In het Monkey Forest liggen drie tempels, heiligdommen waar de Hindoeïstische goden Shiva, Gangga en Prajapati worden aanbeden. In de schaduw van de machtige bomen verheft zich aan de rand van het monkey forest de onderwereldtempel Pura Dalem Agung Padantegal, waarvan het portaal door angstaanjagende Rangda heksen wordt geflankeerd. Deze tempel zou qua setting niet misstaan in een Indiana Jones film. Je hebt er ook nog de Pura Beji tempel en de Pura Prajapati tempel. Alle drie werden ze in de 14e eeuw gebouwd en ze worden nog dagelijks gebruikt door de lokale bewoners. Elke tempel heeft zijn eigen functies en rituelen, dus sommige delen zijn daarom niet toegankelijk voor toeristen. We zouden hier kunnen blijven rondwandelen, zo indrukwekkend. De aapjes vallen trouwens zeer goed mee, ze laten ons gerust en doen eigenlijk niemand kwaad. Heb je geen eten bij, dan komen ze niet bij je in de buurt. Mijn angst was dus ongegrond.



Na twee uurtjes kuieren in het bos trekken we de stad in. Het Hindoeïsme is niet alleen verweven in het dagelijkse bestaan van de eilandbewoners, maar is ook terug te zien in het straatbeeld. Onder andere met de Ubud Royal Palace, het niet te missen tempelcomplex aan de hoofdweg Jalan Raya Ubud road. Het paleis is gebouwd tussen 1800-1823 en verkeert nog zo goed als in de oorspronkelijke staat. Het beschikt over een prachtige binnenplaats, bloementuin en typisch Balinese beelden. Vandaag is er opnieuw een ceremonie en vele prachtig uitgedoste mensen lopen met hoge offergaven op hun hoofd richting tempel.


We gaan dineren bij Happy Falafel. Hier hebben ze een soort pita met vulling naar keuze. Ingrid gaat voor de BBQ chicken en ik voor de Marokkaanse kip. Lekker maar verschrikkelijk spicy, de tranen komen me in de ogen. Ondertussen doet mijn knie verschrikkelijk pijn, opnieuw een ontsteking op de artrose door overbelasting van deze morgen. Daarom besluiten we de dag te  beëindigen met een beenmassage, een zalige verwennerij na die beklimming van de vulkaan. Misschien zijn we morgen dan ook niet zo stijf. Het is wel geen zachte ontspanningsmassage zoals bij mij want hier gaat het er iets steviger aan toe. De Balinese masseuses hebben een enorme kracht in de vingers en ik kan een auwch vaak niet onderdrukken. Maar ook al kraakt het hier en daar behoorlijk in de botten, toch doet het ongelofelijk deugd. 


donderdag 5 oktober 2017

Candidasa - Ubud

Het was een verschrikkelijke nacht, vooral voor Ingrid die slechts 3 uurtjes geslapen heeft. Rond een uur of 5 is het hevig beginnen regenen maar wanneer we om 8 uur naar het ontbijt wandelen, is de regen gestopt. Er is nog wel veel bewolking dus Ingrid wil nog snel een andere jurk aantrekken. Wanneer er om iets voor 9 aan de deur geklopt wordt en een vriendelijke mijnheer in klederdracht ons vraagt ‘Ingrid and Nadine, you sleep well?’, is er weer even verwarring bij ons. Hmmmm is dit nu Surya? Hoe zag die er nu weer uit? Wij zijn echt twee goei bij elkaar! Pas wanneer we aan de receptie komen, en we oog in oog komen te staan met de echte Surya weten we het weer. De koffers worden opgehaald en in de auto gezet.


Ons eerste bezoek brengt ons naar Tenganan, een 700 jaar oud ommuurd dorp in de heuvels. Het  is niet ver van Candidasa maar de weg klimt behoorlijk omhoog. Hier worden we volledig ondergedompeld in de lokale cultuur van het kastensysteem. De ‘Bali Aga’, oorspronkelijke inwoners die nog grotendeels volgens oude religie leven en veelal authentieke ambachten uitoefenen, laten ons proeven van hun cultuur door de vele verhalen die ze te vertellen hebben. De Aga beschouwen zichzelf als goddelijke nakomelingen. Enkel mannen en vrouwen die hier geboren zijn, mogen na een levenslange kringloop van reinigingsrituelen zetelen in de dorpsraad. Dit oude dorpje huisvest grootgrondbezitters die hun velden laten bewerken door de uitgestotenen die buiten de dorpsmuren moeten leven. Tenganan ligt idyllisch tegen een helling in het tropisch regenwoud. Zodra we via één van de vier toegangspoorten binnenkomen, lijkt het alsof we teruggaan in de tijd. Het is een soort levend museum. Vrijwel elk huis heeft een tempeltje in de voortuin, de beplanting is er weelderig en de hond heeft nog de ruimte om lekker midden op de weg te lopen.



We wandelen tot bij een huisje waar de vrouw van onze plaatselijke gids een winkeltje uitbaat. Uiteraard worden we uitgenodigd om een kijkje te nemen in het atelier waar ze al duchtig bezig is met haar weefgetouw. Tenganan is bekend om de grinsing, een stof die wordt gemaakt met een weeftechniek waarbij draden worden gebruikt die vooraf al in een patroon zijn geverfd. Hiermee worden prachtige sarongs gemaakt, maar als tafelkleedje kan het ook best dienen. De huisjes en de paden hebben grijze steentjes, elk met exact hetzelfde patroon. Gemotoriseerd vervoer mag het dorp niet in, dus het enige geluid komt van kraaiende hanen en een enkele televisie. We passeren enkele hanen met pastelkleurtjes. Ze worden geverfd gewoon voor de fun, zegt de gids. Ja, dit blijft voor ons een tijdverdrijf met vraagtekens.


We verlaten dit mooie, pittoreske dorpje en tuffen de eerste kilometers over asfalt. De staat van de hoofdwegen is over het algemeen goed. Van zodra we deze verlaten, is het een ander paar mouwen. Dan rijden we over hobbelende wegen niet breder dan een fietspad. Dit zijn echter wel de leukste weggetjes langs het gewone Balinese leven. Hard rijden is zo goed als onmogelijk dus kunnen we alles goed in ons opnemen. Spelende kinderen, een vastgebonden koe die aan het grazen is, kleine winkeltjes, vrouwen die van alles op hun hoofd verplaatsen, tuk tuks en scooters die perfect voetgangers weten te ontwijken … ja dit is genieten. Zoals beloofd, stopt Surya nog even aan de lelievijver waar de bloemen nu mooi open staan. 


Vanavond is het volle maan en her en der zijn er ceremonies in de plaatselijke dorpstempels. Surya besluit in een van de dorpjes even te stoppen zodat we dit wat van dichterbij kunnen bekijken. Uiteraard kan dit niet in onze westerse kledij dus hij tovert twee sarongs uit zijn tas en kleedt ons deskundig aan zodat we niet uit de toon vallen. Terwijl hij ons wat fatsoeneert, hoor ik een gekraak. Surya is uit zijn hemdje gescheurd. We merken op dat hij redelijk ijdel is want hij vraagt wel 3 keer of we het goed kunnen zien. De 3 binnenplaatsen van de tempel zitten vol met mooi geklede mensen. Alle vrouwen dragen een kanten blouse en er wordt heel wat geofferd.


We zijn nog steeds moe maar een dutje doen onderweg is geen optie want er is zoveel te zien dat het zonde zou zijn om zelfs nog maar met onze ogen te knipperen. Iedereen die ooit in Bali is geweest en er met een auto, motor of fiets heeft rondgereden weet hoe sfeervol de dorpjes zijn. Hoe leuk het is om de tempeltjes langs de weg te bewonderen, hoe fijn het is als de bevolking je lachend toezwaait en hoe mooi de natuur eromheen is. Ik zit in elk geval met een brede grijns in de auto en hoe enthousiaster ik word, hoe meer Surya vertelt over de gebruiken en de godsdienst van zijn land. Hij leidt ons als een trotse gids rond op zijn prachtige eiland.


Wanneer we aankomen bij het waterpaleis ‘Tirtagangga’, de geliefkoosde plek van de laatste Raja van Amlapura, is het overwegend bewolkt. Het vijvercomplex Tirtagangga, dat ‘Water van de Ganges’ betekent, ligt in een betoverend landschap midden tussen de rijstvelden aan de voet van de Agung. Het werd gebouwd in 1948 in een unieke combinatie van Balinese en Chinese stijlen. Het werd aangelegd op de plaats van een heilige bron en de koning en zijn familie gebruikten Tirtagangga om te relaxen en belangrijke gasten te ontvangen. Tegenwoordig gebruikt de lokale bevolking het om te baden en te zwemmen. We zien waterbassins waar water uit de met demonenkoppen versierde waterspuwers spuit, bruggetjes, fonteinen, charmante beelden en absurde figuren. Het mooie aan de tempels van Bali vind ik, dat cultuur en natuur langzaamaan met elkaar versmelten. De beelden en fonteinen zijn met de tijd overwoekerd door het natuurlijk groen. Bij de ingang van het paleis staan diverse kraampjes waar Surya voer voor de koikarpers koopt. Prachtig om deze gigantische vissen te voeren en de lokale bevolking kan meteen een zakcentje bijverdienen. In dit dorpje is er slechts één restaurantje en daar gaan we lunchen. Surya komt ons daar ophalen en heeft een nieuwe outfit aan, de ijdeltuit!



Omdat de moedertempel gesloten is vanwege de mogelijke uitbarsting van de vulkaan, besluit Surya ons na de lunch mee te nemen naar een andere tempel, de Pura Penataran Agung. Ook hier moeten we onze sarong dragen en het is niet zo evident om hiermee de torenhoge trappen te beklimmen die ons naar de top brengen. De prachtige gespleten toegangspoort ligt volledig in de mist en ook het uitzicht op de Mount Agung is mistig. We krijgen die vulkaan maar niet te zien! Hier komen veel Balinese Hindoes om te offeren en te bidden. Normaal mogen hier geen toeristen komen maar omdat het vandaag volle maan is, is de tempel wel geopend. Ook wij moeten eerst een zuiveringsritueel doorstaan. Surya sprenkelt wat heilig water over ons en we krijgen vervolgens een frangipanebloem achter de oren gestoken. Deze bloem wordt gebruikt bij religieuze offers. Bij bijna elk huis in Bali tref je verschillende soorten Frangipanebomen aan met kleurrijke bloemen in verschillende tinten. De bloem verspreidt een heerlijke geur die lang in je neus blijft hangen. Boven is het ondanks de mist adembenemend mooi ook al kunnen we de Mount Agung niet zien. De actieve vulkaan speelt een belangrijke rol in het leven van de Balinezen, omdat zij geloven dat de geesten van hun voorouders daar rondzweven.



Na dit bezoek rijden we helemaal terug naar Candidasa voor de Pura Goa Lawah. Het is een tempel met een heilige grot vol met vleermuizen. Volgens de Lontar (het heilige boek, gemaakt van palmbladeren), is de naam "Goa Lawah" gegeven door een Hindoe priester, toen hij op deze plek op zijn spirituele reis door Bali uitrustte. Hij kwam in de voorkant van de grot waar veel vleermuizen onophoudelijk af en aan vlogen en een onstuimig geluid voortbrachten. Het leek, alsof ze de schoonheid van de grot bezongen. Dat is de reden, waarom de grot Goa Lawah genoemd wordt. Goa betekent "grot" en Lawah betekent "vleermuis". 


De tempel zelf vind ik al heel indrukwekkend maar wanneer we bij de grot aankomen, hou ik even mijn adem in. Er hangt een sterke ammoniakgeur die mijn neus prikkelt en we zien fladderende vleugels in het pikdonker. Beangstigend dat wel, maar heel indrukwekkend. De beestjes zitten zo dicht op elkaar dat het lijkt op een golvende modderstroom. Misschien wel miljoenen vleermuizen leven overdag in deze grotten en tegen het vallen van de avond vliegen ze massaal uit. De vleerhond komt veel voor in Indonesië en is verrassend goed benaderbaar. Hij neemt zijn intrek nogal eens in de buurt van mensen hoewel hij kan gaan en vliegen waar hij wil. Ook hier is er net een kleine ceremonie bezig. Hindoevrouwen en -meisjes gekleed in mooie sarongs brengen offergaven in manden naar de tempel. We vinden het vreemd dat mensen hier zoveel tijd vrijmaken om te bidden. 



Ook al zijn het vooral de landelijke weggetjes die ons kunnen bekoren, toch krijgen we het even moeilijk en we vallen geregeld in slaap terwijl Surya de tocht verderzet over één van de mooiste routes van Bali. Hoe verder we naar het noorden gaan, hoe hoger de bergen worden en hoe ruiger de natuur. Eenmaal buiten het druk bebouwde zuiden klimt de weg tussen valleien met rijstterrassen omhoog naar het mistige regenwoud van centraal Bali. We stoppen even om de rijstterrassen te fotograferen maar dan begint het te regenen.


Het is al bijna half 5 wanneer we in Ubud aankomen. Het centrum is gezellig druk en in elke straat staat wel een hindoeïstische tempel de een nog mooier dan de ander, en wat ons meteen opvalt, winkeltjes, veel winkeltjes. We logeren vandaag in het Alaya Ubud Hotel midden in het centrum van waar we de twee komende vrije dagen Ubud op eigen houtje kunnen ontdekken.  Wanneer we arriveren, krijgen we alweer een vriendelijk ontvangst met een lekker drankje en worden we naar onze kamer gebracht. Deze is zeer ruim met grote bedden en er is zelfs een aparte regendouche! De hele accommodatie straalt luxe en comfort uit. Wat een magische plek. Ons balkon kijkt uit over de rijstvelden. Noemen ze dit 'a room with a view'? Zalig toch?! Dat heet dan gelukkig zijn! Jammer genoeg is het beginnen regenen dus we willen niet al te ver gaan voor ons avondeten. Surya heeft ons aangeraden om te dineren bij restaurant de ‘Dirty Duck’ en vermits dat slechts 5 min wandelen is vanuit ons hotel besluiten we dat maar te doen. De crispy duck zou er heerlijk zijn. We worden naar de achterkant van het immense restaurant gebracht en nemen plaats  op het terras met zicht op een rijstveld. Wanneer de crispy duck op tafel komt, zijn we een beetje teleurgesteld. Ze smaakt lekker maar het eendje was voor dat ze de keel werd overgesneden zeker op dieet. Er is bijna geen vlees aan, al is ze wel crispy! 


Terug in het hotel valt het water met bakken uit de hemel, niet normaal. Ook worden we getrakteerd op een kikkerconcert. Hopelijk kwaken ze ons vrolijk in slaap want morgen loopt de wekker af om 2u00. 

woensdag 4 oktober 2017

Candidasa

Onze eerste nacht op Balinese bodem was redelijk. Ingrid en ik zijn compatibel, alleen onze lichaamstemperatuur verschilt een beetje. Ik heb het altijd te warm, Ingrid te koud dus het is een beetje schipperen met de airco. Zoals beloofd gisterenavond, heb ik de airco enkel opgezet wanneer ik het niet meer kon uithouden. Grappig te zien dat zij bij 27 graden nog in lange mouwen onder de dons ligt, terwijl ik met een niemendalletje boven op de lakens lig. Het is al 9 uur voorbij wanneer we wakker worden maar vandaag kunnen we genieten van een vrije dag. Heerlijk toch - niets moet, alles kan! We lopen onze neus achterna richting ontbijtruimte waar we een tafeltje krijgen met zicht op zee. Het strand dat hier ooit was, is inmiddels voor een groot deel door de zee verzwolgen. We kunnen kiezen uit twee menu’s en gaan voor de meest uitgebreide keuze want we hebben tijd. Fruitsap, fruit, koffiekoekje, cake en een eitje naar keuze met toast. Voetjes onder tafel en genieten van een ‘breakfast with a view’! Want nu het licht is, zien we maar eerst hoe  mooi de omgeving hier is. 


Na ons rijkelijk ontbijt gaan we wat relaxen aan het prachtige zwembad dat omringd is door palmbomen. Het is hier redelijk rustig want er zijn niet veel hotelgasten. De pool boy komt ons al lachend tegemoet om de handdoek op ons bedje te leggen en ons een fris watertje te brengen. ‘The Asian way of life’- geen denken aan dat we hier iets zelf mogen doen, we worden bediend en hoe! Ingrid is in haar nopjes want ze hoeft niet teen voor teen in het water te steken, ze kan er zo inspringen. Het water is heerlijk van temperatuur. De zon schijnt hevig maar er is gelukkig voor mij, een windje. Van uit mijn ooghoek zie ik een bos bloemen drijven in het zwembad. Zou onze lieve pool boy zelfs het zwembad versieren met bloemen? Dan krijgen we de slappe lach, het blijkt een zwarte schone te zijn met een bloemenhoed. Ja sommige mensen willen zelfs in het zwembad luxueus voor de dag komen. 



Om 1 uur gaan we wat sightseeing doen en krijgen we alweer een privé chauffeur, van het hotel deze keer. Hij brengt ons naar de stad Candidasa, nou ja ‘stad’ is een groot woord. Het is eigenlijk een lange, drukke straat met winkeltjes aan weerszijde. Hij belooft ons om hier tegen 15u15 en 17u15 terug te zijn. We mogen kiezen wanneer we terug naar hier komen. Er is veel bedrijvigheid in de straten. Vrouwen en meisjes vullen eenvoudige van bananenbladeren gevlochten schaaltjes met bloesems en rijstkorrels, vruchten en wierookstokjes. Vijfmaal per dag moeten offers worden gebracht aan de huisgoden in hun schrijnen, maar ook aan geesten en demonen. De offergaven zijn een symbool van het Balinese volkshindoeïsme, een religie die veel bijdraagt aan de karakteristieken van het eiland.  De mensen zijn overwegend hindoe en dat betekent dat ze geloven in karma en reïncarnatie. Het gevolg is dat ze allemaal zo goed mogelijk proberen te leven en dat merk je aan alles. Ze zijn vriendelijk, behulpzaam en eerlijk. De bewoners hier zijn net zo nieuwsgierig naar ons, als wij naar hen. Met de weinige woorden Engels die men hier kent, is het leuk om een gesprek aan te knopen.


We passeren de lelie vijvers van Candidasa. Een heel mooie plaats om te vertoeven met oogverblindende natuur. De lotusbloem is van grote betekenis in het hindoeïsme en het boeddhisme, men beschouwt het als een heilige bloem. Surya heeft ons beloofd om hier morgenvroeg nog eens te stoppen want het is ‘s morgens dat de lelie haar bloem helemaal opent. Als ze bloeit is ze prachtig, met in het midden de halve kegelvormige vrucht. Als de bloem is uitgebloeid, vallen de zaden eruit en blijft een soort bijennest over.



Tempels, tempels, tempels en nog eens tempels, waar je ook kijkt. Niemand kan precies vertellen hoeveel sacrale bouwwerken er op het kleine eiland staan. Elk Balinees landhuis heeft een tempel, elk dorp heeft er minstens drie. Tempels horen bij Bali als goden en demonen. Vaak hoor je zeggen “als je één tempel gezien hebt, heb je ze allemaal gezien”, een uitspraak waar ik het hoegenaamd niet mee eens ben!  Balinese tempels onderscheiden zich van elkaar wat betreft betekenis en bestemming, maar komen wel op veel punten overeen als het gaat om constructie en inrichting. Een tempel (pura) bestaat uit 3 binnenplaatsen die via uitbundig versierde poorten met elkaar verbonden zijn. In het midden van de stad net over de lelievijvers bevindt zich de hoofdtempel van Candidasa. Aan de ingang zit er een vrouw met een bloesje dat z’n beste tijd heeft gehad. Ze staat erop dat we een sarong rond ons middel draaien terwijl we beiden een lang kleed dragen. Ze wil een centje bijverdienen want uiteraard heeft zij net de perfecte sarong voor ons. Zowel Ingrid als ik laten ons niet verleiden, we hebben zelf onze sarong bij. Alsnog assisteert ze ons met het rondbinden van onze eigen sjaal, t’is geen gezicht maar we laten ze maar begaan. Ik wil ook een sjaal over mijn schouders slaan maar dat is niet nodig. Vreemd, dat moeten we morgen toch eens aan Surya vragen. We klimmen helemaal naar de top en hebben van daaruit een prachtig zicht  over de vijvers en de zee. 



Het westelijke deel van Bali is armer dan de rest van het eiland en dat is te merken: we worden hier direct op een opdringerige wijze geconfronteerd met allerlei verkopers van lokaal ambachtelijk spul. En mensen proberen hier op allerlei wijzen geld aan je te ontfutselen door je te helpen met van alles en nog wat. Welkom in Azië.


We hebben best al wat gestapt, wanneer we besluiten om één van de vele spa’s binnen te stappen. Het is niet voor niets vakantie! Ingrid gaat voor een pedicure en ik wil graag een voet/been massage. Eerst worden onze voetjes gewassen in water met bloemenaroma en daarna beginnen de twee dames ons te verwennen. Zalig weggezakt in een comfortabele zetel met een rustig muziekje op de achtergrond spelen de dames voor 4 euro een uurtje met onze voeten.  


Ondertussen is het 4 uur voorbij en besluiten we iets te gaan eten in een gezellig restaurantje. Hier betalen we slechts een derde van de prijs die we in ons hotel betalen en het is even lekker. Onze persoonlijke chauffeur van Alila Manggis zou ons opnieuw komen ophalen daar waar hij ons heeft afgezet. Zet echter twee taterende vrouwen in een auto en gegarandeerd dat ze niet meer weten hoe de chauffeur er nu weer uitzag, laat staan de auto. Heel vervelend wanneer er regelmatig auto’s stoppen om te vragen of we een auto nodig hebben. Elke keer kijken we elkaar aan met vragende ogen ‘zou dit hem zijn?’ We gaan een beetje op ons gevoel af en sturen ze allemaal door. Een paar minuten later dan voorzien, draait er opnieuw een auto de parkeerstrook op en dan zien we de naam van het hotel gedrukt op de zijkant. Toch twijfelen we wanneer we instappen want de man in kwestie is zeker niet de man waarmee wij oorspronkelijk naar hier gereden zijn, maar hij stelt ons gerust. We maken nog een wandeling naar de tempel van ons hotel en besluiten dan een laatste duik te nemen in het prachtige zwembad om ons even te verfrissen. Mmmm verfrissen kan ik het niet noemen, de temperatuur van het water is zeker 38 graden. Ingrid vindt dit uiteraard zalig, tot ze er weer uit komt. ‘Amai da’s koud’, roept ze - mochten jullie zich de vraag stellen, de buitentemperatuur is zeker nog voorbij de 30 graden! Ikzelf wil heel elegant het zwembad instappen maar ga onmiddellijk onderuit en volledig kopje onder. Massageolie aan je voeten is levensgevaarlijk! 


Onze eerste vrije dag zit erop en morgen beginnen we aan onze echte rondreis met Surya. We kijken er beiden naar uit! 


dinsdag 3 oktober 2017

Doha - Denpasar - Candidasa

Ik ken eigenlijk niemand die zegt helemaal fris en fruitig uit een vliegtuig te stappen. Echt ontspannen is het natuurlijk niet, om urenlang 'opgevouwen' op een kleine en oncomfortabele vliegtuigstoel te moeten zitten maar al bij al is de vlucht goed verlopen. Wat kleine turbulentie onderweg maar niets om wakker van te liggen. We landen om 18u00 op Denpasar Airport in het Zuiden van Bali. Thuis is het nu 12u00 (6 uur vroeger). Zodra we het vliegtuig uitstappen, zien we al de prachtige hindoeïstische entree en ruiken we in de verte de zee. Maar wat een drukte! Er komen een aantal vliegtuigen tegelijk aan en al die mensen moeten door de douane. Een visum hebben we niet nodig maar we krijgen wel een stempel in ons paspoort. Buiten staat het ook vol mensen, die ons toeroepen maar we worden opgehaald door onze privé gids, Surya die ons de hele reis zal vergezellen. Hij is zo een beetje onze persoonlijke butler die dag en nacht voor ons beschikbaar zal zijn. Hij valt zeer goed mee - hij draagt de plaatselijke kledij, heeft een hemelsbrede glimlach, is goedgezind en, niet onbelangrijk, hij spreekt zeer goed Engels. We hadden op voorhand best wel schrik dat we de ganse dag naar dat vermoeiend Indisch klinkende Engels zouden moeten luisteren. Oké het accentje heeft er wat van weg maar het is goed verstaanbaar. We voelen ons onmiddellijk veilig bij deze knuffelbeer. Eerst nog even geld uit de muur halen.  Nadien is het net of we zijn miljonair want de hoeveelheid briefjes die we in ruil voor onze 50 euro krijgen, is immens! 


Wanneer we buiten komen is het al donker. Daar Bali vlak bij de evenaar ligt, duren de dagen en de nachten even lang, 12 uren licht en 12 uren donker. Surya gaat de auto halen en terwijl wij wachten op een klein autootje, stopt er naast ons een luxe auto met getinte ruiten en prachtige, zwarte leren zetels. Het duurt even voor we beseffen dat dat ons vervoer is voor de komende weken. Onze gids laadt met zijn forse armen onze zware reistassen in de koffer en verliest daarbij nooit zijn stralende glimlach. Hoe mooi zou de wereld zijn als alle mensen zo behulpzaam en vriendelijk zouden zijn. We leren alvast de magische woorden ‘suksma’, wat dank u wel betekent in het Balinees.


Van zodra we in de auto zitten, zien we dat ook hier, net zoals in andere Aziatische steden, de verkeerschaos enorm is. Brommers met soms wel 4 mensen erop, scheuren als gekken over de weg en als onze auto even stil staat voor een verkeerslicht, staan ze als een zwerm muggen om ons heen. Het verkeer op Bali rijdt links en het is zeker niet aan te raden om hier zelf te rijden. Het is lekker fris in de auto en dat is maar goed ook want we moeten nog 2 uur rijden naar ons hotel. De thermometer op het dashboard geeft 31°C aan, dus de gedachte aan een frisse douche straks biedt meteen mooie perspectieven. We zijn beide ontzettend moe.


We rijden naar het ongerepte Candidasa, dat in het Indonesisch 'tien tempels' betekent. Dit toeristenplaatsje in het oosten van Bali is eigenlijk een vissersdorpje, waar in de loop der tijd steeds meer voor toeristen werd gebouwd. Jammer genoeg zien we helemaal niets want verlichting is hier nergens te bespeuren, zeker niet wanneer we de hoofdstad Denpasar verlaten. Surya vertelt alvast wat over ons programma. Uiteraard zijn wij maar naar 1 ding nieuwsgierig. Hoe zit het met de vulkaan? Er verschijnt een lachje rond zijn mond en hij stelt ons meteen gerust. De activiteit is een beetje verminderd maar sowieso gaan we er geen last van hebben volgens hem. 


We verblijven twee nachten in het Alila Manggis, gelegen aan de zee met zicht op de majestueuze vulkaan waar we zo’n angst voor hebben, namelijk de Mount Agung, de meest heilige berg van Bali. Wanneer onze gids de auto uitlaadt staan we letterlijk te popelen om ons hotel te verkennen. Een onmiskenbaar gevoel van opwinding maakt zich van ons meester. Wanneer je een vlucht van ruim zeventien uur achter de rug hebt, is het lekker als je direct in een omgeving komt waar je heerlijk relaxed aan je vakantie kunt beginnen. Exact dat gevoel hebben we wanneer we aankomen in ons prachtige hotel. Onze koffers worden naar de kamer gebracht terwijl wij in de adembenemende lobby een welkomstdrankje krijgen (sprite met kaneel en sap van een lokale vrucht - super verfrissend). We komen hier onmiddellijk tot rust. Surya geeft ons de sleutel van kamer 117 met een knipoog. ‘Not 007’, zegt hij er al lachend bij. Allé een man met humor! De kamers zijn met donker hout en marmer ingericht. Het oogt strak maar voelt warm aan. Zalig om alvast zachtjes te acclimatiseren en te wennen aan de Bali lifestyle.  We hebben best wel wat honger dus wandelen we door de prachtig verlichte tropische tuin naar het restaurant in openlucht. Aan tafel horen we het geluid van de golven. We kiezen een typisch Balinees gerecht met kip, veel citroengras en look. Heerlijk! Na ons diner wassen we het plakkerige zweet van ons af en kruipen we onder de wol. Morgen gaan we op verkenning en hopen we een eerste blik te kunnen werpen op Mount Agung. 


maandag 2 oktober 2017

Brussel - Doha

Januari en februari zijn over het algemeen dé maanden waarin iemand zijn vakantie boekt en dat deden ook wij. Maar toen leek alles nog zo veraf!  Vandaag is het dan eindelijk zo ver en vertrekken we naar het 'Godeneiland' Bali, ook wel het eiland van de duizend tempels genoemd. Dat vertrek is wel met heel gemengde gevoelens want terwijl aan de andere kant van de planeet de orkanen zich volop ontwikkelen in de Atlantische Oceaan moeten we op Bali rekening houden met ander natuurgeweld. De autoriteiten op Bali houden er rekening mee dat een uitbarsting van de vulkaan Mount Agung nakend is. De meer dan 3.000 meter hoge Mount Agung laat zich al dagen opmerken door een verhoogde activiteit. Bij de laatste eruptie van de vulkaan in 1963 kwamen ruim 1500 mensen om het leven. Dat betekent dat het nu al ruim 50 jaar relatief stil is met geen actieve uitbarstingen. Daarom hebben mensen hun landbouw ook verder uitgebreid op de flanken van de vulkaan. Meer dan 150.000 bewoners van dorpen in de buurt hebben al hun huizen verlaten. De autoriteiten roepen toeristen en omwonenden op zeker 12 kilometer uit de buurt van de krater te blijven. Indonesië ligt bovendien op de zogeheten Ring van Vuur, zoals de brede strook rondom de Stille Oceaan wel wordt genoemd. In dat gebied komen diverse platen van de aardkorst bij elkaar. De kans op aardbevingen is dan ook reëel en dat baart ons toch best wel wat zorgen maar what will be, will be! 


We zijn allemaal wereldburgers geworden en met het vliegtuig doorkruisen we alle continenten maar het internet houdt ons verbonden met de mensen die we liefhebben en aan de andere kant van de wereld zitten. Met deze blog kunnen jullie een beetje meegenieten van onze tocht die hopelijk niet buiten onze wil om té avontuurlijk wordt! 


Het eiland staat bekend om haar uitbundige, kleurrijke hindoe-cultuur met optochten en offergaven.  De eerste verre reis die ik maakte was naar Indonesië, inmiddels zo’n 20 jaar geleden. Toen heeft Bali mijn hart gestolen en besloot ik er ooit terug te keren. Ik ben me er wel van bewust dat er op die 20 jaar heel veel veranderd zal zijn want in tussentijd vonden vele toeristen hun weg naar dit paradijs. Sinds miljoenen mensen lazen hoe schrijfster Elizabeth Gilbert hier zocht naar verlichting en ook de liefde vond, is Bali een bestemming voor vooral vrouwelijke reizigers op zoek naar zichzelf. Net als actrice Julia Roberts in Eat, Pray, Love, volgen ze yogalessen en bezoeken ze goeroes, fietsen ze tussen de smaragdgroene rijstvelden en eten ze organic food in het Bali Buddha Cafe. 




Ook wij gaan op zoek naar het ‘weg-van-de-dagelijkse-sleur’ gevoel. We gaan proberen te genieten en hopen ontspannen terug thuis te komen. In totaal zullen we 17 uur onderweg zijn (6u10 vlucht van Brussel naar Doha – 1u45 transit – 9u25 van Doha naar Denpasar). We kunnen niet zeggen dat we er echt naar uitkijken maar het hoort er nu eenmaal bij. We stijgen op om 17u30. Het vliegtuig is alvast zeer luxueus, met onze privé flatscreen, dekentjes en regelmatig wat versnaperingen kunnen we het hier best wel een tijdje uithouden. Het gratis entertainment programma zorgt voor wat frustratie. Ik wil de film ‘Everything everything’ bekijken maar het lukt me niet om de taal te wijzigen naar Engels.  Tot vijf maal toe probeer ik het terug opnieuw en dan ben ik het beu. De airhostess doet ook een poging maar ook zij slaagt er niet in. Italiaans gesproken met Arabische ondertitels mmmm daar moet ik voor passen. Dan maar een andere film. Ah ‘Everything, Everything’ staat er nog eens in maar dan met audio description. Zou ik dat eens proberen? Alles is beter dan Italiaans/Arabisch. Aanvankelijk krijg ik er wel een beetje de slappe lach van maar na een tijdje ben ik het gewend dat alles beschreven wordt. Na de film probeer ik nog wat te slapen en dat zorgt ervoor dat de tijd sneller voorbij gaat. In Doha, de hoofdstad van Quatar kunnen we eventjes de benen strekken om vervolgens door te vliegen naar onze eindbestemming Denpasar.