dinsdag 17 december 2002

Yangon

Na het ontbijt gaan we naar het stadscentrum en zoeken we nog enkele interessante locaties op. Zo nemen we onder meer een kijkje in het Nationale museum. We krijgen ook de tijd om rustig te shoppen in de overdekte Scott Market. Wanneer we terug naar het hotel gaan, worden we plots met het plaatselijke vervoer geconfronteerd. Onze gids had gehoord dat enkele onder ons wel eens met de Birmaanse lijnbus wilden meerijden. Héél leuk was dat. Vooral de reacties van de Birmanen zelf was goddelijk. Ze konden maar niet begrijpen dat de rijke toeristen een bijna uiteenvallende bus verkozen boven de luxe tourbussen. Zoals beloofd tijdens de eerste dag van ons bezoek in Birma, bezoeken we ’s avonds de prachtig verlichte Shewedagon pagode. Dit is de grootste tempel van Myanmar. Er wordt gezegd dat er 8 haren van Boeddha bewaard worden. Hierdoor is het één van de belangrijkste boeddhistische bedevaartsoorden ter wereld. Men heeft hier niet op een centje gekeken. De 98m hoge stoepa is bekleed met naar schatting 60 ton zuiver goud en rond de spits kleven een paar duizend diamanten en edelstenen met als toetje een diamant van 76 karaat. Net zoals in alle andere heiligdommen van Birma, kom je er niet in met je schoenen aan. Alles op blote voeten dus maar dat zijn we ondertussen wel gewend. De verlichting, de pelgrims, de sfeer die tegelijk devoot en vrolijk is en het onvoorstelbare aantal Boeddha beelden in alle mogelijke groottes, houdingen en uitvoeringen maken deze pagode echt de moeite waard. En zoals verwacht is ze bij avondschemering sprookjesachtig mooi. Ons laatste avondmaal brengen we in stijl door. Een Fransman die zich in Birma heeft gevestigd, opende er een gezellig restaurant, Le Planteur.  Het eten is verrukkelijk en ook de omgeving is prachtig. We zitten in een mooie tuin en de temperatuur is werkelijk ideaal. En dan te weten dat het thuis nu guur weer is.  Iedereen voelt zich goed en triestig tegelijkertijd. We moeten hier afscheid nemen van een prachtig land en zijn uitzonderlijke bevolking. Dominique is als een vriend voor ons en we hopen dat we hem ooit nog eens terug zien. We geven hem een echte ‘gouden handdruk’ en kunnen onze traantjes moeilijk bedwingen. 

Deze reis was echt uniek. Wat we in Myanmar aantroffen, zagen we in geen enkel ander Aziatisch land. Het land van gouden pagodes, kloosters en tempels is met niets te vergelijken. De sfeer is ontspannen, de mensen zijn arm maar vriendelijk, beleefd en zachtaardig. Buiten de steden domineren karren, voortgetrokken door waterbuffels. Er heerst rust en gemoedelijkheid in het schilderachtige platteland. Vrouwen en mannen in lange wikkelrokken, de gezichten ingesmeerd met thanaka en overal die opgestoken hand en die vriendelijke lach. Een aanrader!

maandag 16 december 2002

Inle meer - Yangon

Na het ontbijt varen we voor de laatste keer het Inle meer op. Het is een poëtisch beeld, de lichte nevel boven het water, de heuvels op de achtergrond, de bootjes met vissers en de drijvende tuinen. Het is vroeg in de ochtend en nog koud en zijn dan ook blij wanneer we op onze bestemming zijn. Dominique heeft enkel T-shirts bij, Erwin heeft er medelijden mee en geeft hem zijn trui. Zo fier dat hij is met zijn nieuwe aanwinst, echt aandoenlijk. Midden op het meer wordt er voor ons een bootrace gehouden. Gesterkt door onze aanmoedigingen zetten lokale Intha roeiers hun beste beentje voor. Onze mannen mogen ook mee doen en uiteraard wint de boot waar onze mannen op zitten! Wanneer we later die dag weer aan land gaan, passeren we de markt. Mensen bieden hier hun koopwaar aan. Ondanks de regenbui genieten we toch van onze wandeling. Alvorens we ons naar de luchthaven begeven, stoppen we nog even bij het Yaunghwe Kyaung klooster met zijn opvallende ovale ramen. Dit klooster is meer dan 100 jaar oud en wordt nog steeds bewoond door talrijke monniken. Ze poseren maar al te graag in de ovalen ramen en zijn blijkbaar gewend aan de toeristen. Ginette die serieus last heeft van haar knie, wordt deskundig opgevangen wanneer we aan de luchthaven komen. Met een rolstoel wordt ze naar de vertrekhal gebracht. In de late namiddag vertrekken we opnieuw richting Yangon. Bij aankomst genieten we nog even van een drankje op het terras van ons luxe hotel Nikko Royal Lake Yangon, dat fraai gelegen is aan de oever van het Kandagyi meer.

zondag 15 december 2002

Inle meer

Na het ontbijt begeven we ons naar een Padaung dorp waar we de vrouwen met de gouden ringen aantreffen, ook wel ‘langnekken’ of ‘giraffevrouwen’ genoemd. Vanaf hun 5de jaar krijgen de meisjes een spiraal van messing ringen om de hals. Deze spiraal drukt de nekspieren omlaag waardoor de indruk van een verlengde hals wordt gewekt. Nadien begeven we ons op het schilderachtige Inle meer. Het 20 kilometer lange en vijf kilometer brede meer is echt een hoogtepunt van deze reis. Het meer ligt in een kom van groen en tegen de blauwe lucht zien we prachtige witte vogels zweven. Dit is een plek om tot rust te komen en te genieten. De vissers ontwikkelden hun eigen roei- en vistechniek. Vanuit hun wankele bootje obersveren de Intha roerloos het vlakke wateroppervlak op zoek naar luchtbelletjes. De vissers zetten vervolgens hun grote kegelvormige bamboekorf op de plaats van de luchtbelletjes en laten de korf tot op de bodem zakken, zodat de vis omsloten is er erin verstrikt raakt. Rechtstaand met één been steunend op het achterste gedeelte van het platte bootje en met het andere been geklemd om de roeispaan, zorgen de Intha ervoor dat ze tijdig de planten in het ondiepe water kunnen ontwijken. Het Inle meer is een rimpelloos, ondiep water en vormt het leefgebied van de Intha. Zij wonen in paalwoningen verspreid over verschillende dorpen rond het meer. De in groten getale voorkomende wilde waterhyacinten, vastgehecht met bamboestokken in de bodem en afgewerkt met een vruchtbare modderlaag, vormen de natuurlijke akkers of ook wel drijvende tuinen genoemd. We meren aan in het 250 jaar oude Nga-Phe-Chaung klooster, ook wel het ‘kattenklooster’ genoemd. Bij aankomst merken we onmiddellijk de tientallen poezen op die ons al liggen op te wachten in het zonnetje. De monniken die er wonen hebben de katten afgericht en geleerd om eenvoudige kunstjes te brengen zoals het springen door een hoepel. Het houten klooster op palen dateert van 1845. We houden ook even halt bij het primitieve atelier van een parelzetter. De kleine pareltjes worden door deze dame vakkundig tot een halsketting verwerkt. We gaan opnieuw aan land in Indain, een dorpje dat zo’n 1.000 pagodes telt en opgetrokken is in rode steen. We passeren heel idyllische plekjes en zien talloze vrouwen sleuren met takken en riet. Ja, de vrouw werkt hier echt wel veel harder dan de man. De weg die ons naar de ruïnesite leidt, is bezaaid met gaanderijen vol met winkeltjes en het is hier dat we een prachtige mand kopen. We hebben er al één maar het verkoopstertje blijft ons volgen en de prijs is op de duur zo belachelijk laag dat we niet meer durven afdingen. Het lijkt wel of de tijd hier is blijven stilstaan. Schoorvoetend overmant een sluipende vegetatie iedere stupa. Hier zou ik uren kunnen blijven zitten, zo mooi vind ik het. Onderweg komen we enkele Pa_O tegen die nog steeds gekleed zijn in hun traditionele donkere kleding met gekleurde tulbanden, gemaakt van Chinese handdoeken. We lunchen aan het meer en zoals steeds is het weer overheerlijk. We eten meestal Thais, Chinees of Indisch want de Birmaanse keuken heeft niet zo veel variatie. Onderweg passeren we een bouwwerf waar met behulp van bamboestokken een stelling werd gemaakt. Onvoorstelbaar dat die dunne takjes zo’n gewicht kunnen dragen. Wanneer we halt houden in een weverij zien we een meisje tussen de weefgetouwen rustig genieten van een middag dutje. Het leven rond het meer gaat z’n gewone gangetje. Kinderen poetsen hun tanden in hetzelfde water als waar moeder de kleren in wast, vader de boot in repareert of oma haar behoefte net gedaan heeft. Ongelofelijk dat mensen op die manier kunnen leven en één zijn met al het water om hen heen. Aan de rand van het meer zien we plots een prachtige pagode en we besluiten hier ook even halt te houden. Hier ligt een wel heel prachtige boot, helemaal in hout uitgehouwen en bedekt met goudblaadjes. Na een tijdje veranderen we van koers en varen onder het waakzame oog van onze behendige stuurman via een kronkelende versmalde watergang terug naar het hotel. In de haven liggen alle boten bij elkaar en dat levert een mooi plaatje op. 

zaterdag 14 december 2002

Heho

Bij het ontwaken, merken we dat het water met bakken uit de hemel valt. Even paniek maar na het ontbijt trekt de hemel weer open en schijnt de zon. We zoeken de gezellige drukte op van de plaatselijke, exotische markt. Het is een komen en gaan van ontelbare, keurig uitgedoste bergvolkeren die hun verse waar aan de man proberen te brengen. Voor dit soort marktjes heb je vaak wel een ietwat sterkere maag nodig dan de gemiddelde mens want verwacht hier niet dat de kip al gefileerd en voorverpakt op de toonbank ligt. Wil je een stukje kip? Geen probleem, met drie ferme slagen van de bijl is het geregeld. En als je nog graag een gefrituurde kakkerlak wenst, dan kan je gewoon bij het kraam daarnaast aanschuiven. Op weg naar de luchthaven, zien we nog een bende monniken met hun bedelnap door de straten lopen en stoppen we nog even bij een lange houten loopbrug met een zeer passende tekst op de achtergrond 'Have a nice life'. Dat gaan we zeker proberen. Bij aankomst in Heho, na een vlucht van 55 min, nemen we een kijkje in de Payagyi pagode waar talrijke Boeddhabeelden ons aanstaren. De muurschilderingen zijn wat vervallen en kunnen best een opknapbeurt gebruiken maar desalniettemin zijn we onder de indruk. Iedereen is blij wanneer we naar het hotel gaan want de vermoeidheid van de laatste dagen speelt iedereen parten. ’s Avonds is er een Birmaanse show in het Hu Pin hotel waar we logeren, maar iedereen kruipt nadien onmiddellijk onder de wol. Erwin gaat nog even een wandeling maken. Vandaag heeft hij van een mannetje een stuk beeld gekocht, afkomstig van een heilige tempel. Walter zei ons echter dat het meenemen van een heilig beeld strafbaar is en dat de gids daardoor zijn vergunning zou kunnen verliezen. Ondanks dat we het eerlijk betaald hebben, willen we het risico niet lopen dat Dominique zijn vergunning zou verliezen. Erwin zet het beeld bij een andere tempel in de stad. Jammer maar helaas

vrijdag 13 december 2002

Kyaing Tong

De 4x4 wagens staan ons reeds op te wachten maar van zodra we de eerste modderweg inslaan, zitten we al vast. Enkel onze chauffeur kan er door. Iedereen besluit mee te helpen. Ja, zelfs Simonne gaat op zoek naar takken om in de modder te leggen. Na ongeveer 20 min zijn alle wagens voorbij dit moeilijke stukje weg gepasseerd. Onderweg begint het dan nog eens zachtjes te regenen en onze gids Walter besluit dan maar een paraplu boven te halen. Wij zitten lekker binnen met onze grappige chauffeur en ook al doet hij zijn best, hij kan geen woord Engels. Onderweg komen we nog een Birmaans mannetje tegen die volgens ons nog nooit een toerist gezien heeft. Zijn mond valt open van verbazing. In deze indrukwekkende natuur maken we opnieuw kennis met enkele etnische bevolkingsgroepen. Eerst brengen we een bezoek aan de Ann die er een eigen geesteswereld op na houden. Beland in dit dorp dat eenvoudig opgetrokken bamboehutten en paalwoningen telt, zetten we een stap terug in de tijd. Hun serene, zwarte kledij wordt opgesmukt met eenvoudige zilveren juwelen. Ze zijn eerst heel terughoudend maar wanneer Paul begint te goochelen, komen ze allen dichterbij en houden ze geen rekening meer met de camera’s. Ze lachen hun tanden bloot en we kunnen zien dat ook hier de nationale drug goed ingeburgerd is. We komen en meisje tegen dat zich heel mooi opgemaakt heeft met de thanakapasta. Ze lijkt wel een poes. Erwin is helemaal in de ban van deze natuurlijke schoonheid. We passeren enkele dorpjes en zien enkele monniken een partijtje ‘chinlon’, Birmaans voetbal, spelen. Hiervoor gebruiken ze een houten bal. In Birma zijn deze overal te koop en enkel medereizigers nemen ze mee als decoratie. Gezapig zetten we onze tocht verder. De weg slingert langsheen rijstvelden, bamboebossen en groene heuvelruggen. Onderweg zien we een man met een rieten zeef en Erwin vraagt hem wat deze moet kosten.  Ook hier bekijken ze hem met een blik van ongeloof.  Zo’n oud ding wil toch niemand? Na lang onderhandelen, accepteert hij dan toch ons geld. Voor ons peanuts maar voor de Birmaan een hele rijkdom. Uiteraard moet ik er nu wel de hele weg mee sleuren maar ze is zo mooi dat ik dat helemaal niet erg vind. In de verte zien we al de nederzetting van de Zilver-Palaung. Deze minderheidsgroep is iets rijker dan de andereen en dat is duidelijk te merken aan hun kledij maar ook aan de aanwezigheid van buffels, varkens en eenden. De vrouwen vullen hun dagen met het weven van prachtige stoffen. Erwin vindt een stukje stof in de modder en besluit het mee te nemen. Na een wasbeurt zal het er zeker prachtig uit zien! We lunchen in de natuur. Onze 4x4 rijdt rustig verder maar de anderen zijn weer vastgereden in de modder. Even uit de auto dus want het is zo verschrikkelijk warm. In de schaduw van de bomen maakt onze gids een praatje met een passerende Akha vrouw. Ik geef haar een busje melk en ze lacht me vriendelijk toe. Onmiddellijk wil ze met me op de foto. Onderweg zien we een Birmaanse vrouw die lekker uitziende pannenkoeken aan het bakken is. Volgens de gids worden ze gemaakt van dierlijk vet en is het hier een specialiteit. Dat moeten we dus eens uitproberen. Daar het vrouwtje geen Engels spreekt en ik niet weet hoeveel ik moet betalen, geef ik haar het kleinste wat ik in mijn zakken heb (5 BF) maar wat blijkt, dat is veel te veel en ze geeft me pannenkoeken voor de ganse groep. We zetten onze tocht verder en zien onderweg vrouwen sleuren met zware zakken. Hier wordt nog echt gewerkt! In het volgende dorp lopen bijna alle inwoners nog in hun traditionele klederdracht. Ze zijn er wel iets teruggetrokkener en willen liever niet op de foto. Ook deze bevolkingsgroep leidt een agrarisch bestaan: rijst is de voornaamste voedingsbron waarnaast het telen van o.a. bonen, erwten, mais en sesam een dankbare aanvulling is. Eén meisje is heel erg nieuwsgierig en komt even kijken naar al die vreemde blanke mensen. We nemen snel een foto en dan is ze weer verdwenen. De hygiëne in dit dorp is redelijk ook al lopen er overal varkens en kippen rond. Ook hun kledij is zuiver in tegenstelling tot andere armere minderheidsgroepen die we vandaag zijn tegen gekomen. Na de unieke ervaring en de kennismaking met de meest verscheiden volkeren, houden we nog even halt bij warmwaterbronnen. De lava verspreidt een indringende geur van rotte eieren en een dame komt ons demonstreren dat er wel effectief eitjes gekookt kunnen worden in het hete water. Erwin en Walter nemen nog vlug een stoombad alvorens we terug naar het hotel gaan.

donderdag 12 december 2002

Kyaing Tong

Na het ontbijt rijden we naar de luchthaven van Heho en lunchen daar in een klein restaurantje. Tijdens het eten worden we volledig gemasseerd door een wel heel speciale man. Hij lijkt precies te weten waar hij moet drukken en wrijven om al onze spieren terug los te krijgen. We voelen ons fitter dan ooit. De vlucht duurt 1u30min en we komen omstreeks 14u in Kyaing Tong aan. We zitten in de Shan staat van Myanmar en dit is een landbouw gebied bij uitstek en de thuis van verschillende bergstamvolkeren. Na het inchecken vertrekken we onmiddellijk per 4x4 naar een Akha dorp. Onderweg zien we een boom waarin tientallen mega grote bijennesten hangen. Wanneer die uitvliegen, wil ik niet in de buurt zijn! Het dorp van de Akhu is op een heuvelflank gebouwd en daar het de laatste dagen heel hard geregend heeft hier, is de weg er naartoe heel erg glibberig. Met behulp van een stok komen we toch veilig boven. Van origine komen de Akha uit de in het zuidoosten van China gelegen provincie Yunnan. Ze leefden daar in de bergen langs de Red- en de Black River. Door de eeuwen heen verhuisden ze naar o.a. Birma. Hun huizen zijn volledig uit riet en bamboe opgetrokken. De nieuwsgierigheid van de inwoners krijgt de bovenhand en lokt de eerder schuwe Akhu uit hun woningen. We kunnen geen leeftijd plakken op de mensen hier maar we zien een vrouwtje dat toch minstens 80 moet zijn. De vrouwen zijn gemakkelijk herkenbaar aan hun helmachtige hoofdtooi versierd met zilveren bolletjes, kralenkettinkjes, geverfde veertjes en bont. Hun onderbenen zijn omwikkeld en rond de heupen dragen de dames een korte rok die bijna tot op de knieën reikt. Rond de taille hebben ze een sjerp waarvan de uiteinden aan de voorkant over de korte rok vallen. Een doek loopt via een van de schouders over de borst naar het middel. Daarover dragen de dames veelal een zwart jack met lange mouwen. Het jack, de beenwikkels en sjerp zijn in heldere kleuren geborduurd en versierd met kralen, zaden, schelpen en zilver. Hier geniet ik van – mensjes kijken – maar jammer genoeg hebben we nog een hele weg te gaan dus langzaam banen we ons een weg terug naar beneden. Dat is mogelijk nog gevaarlijker in die modderstroom dan de weg naar boven. Onderweg zien we een kerstroos. Bij ons een klein plantje, maar hier een enorme struik.

woensdag 11 december 2002

Palaung Hill

Vandaag mogen we uitslapen tot 7u30 en dan trekken we een volledige dag de indrukwekkende Birmaanse jungle in. Met onze tropenbroek aan, voor de beestjes, passeren we beboste heuvels, theeplantages en rijstvelden. We banen ons een weg naar Palaung Hill. De natuur is hier prachtig en we genieten met volle teugen. Slechts éénmaal zien we een slang over de weg kruipen maar ze is sneller verdwenen dan ze is gekomen. Zigzaggend door een patchwork aan groen- geel- en bruin getinte akkers, doorkruisen we de vruchtbare valleien van het Shanplateau. De gids leidt ons langsheen dunne paden en over een meer maar we zijn er allemaal gerust in … hij kent de weg. In Palaung Hill genieten we van een lekkere lunch en het uitzicht krijgen we er gratis bij. Tante Simonne die de grote klim naar Palaung Hill niet aankon, is per ossenkar gekomen en arriveert net wanneer wij aan onze lunch beginnen. Haar achterste doet pijn zegt ze. Ja, heel comfortabel zit zo’n kar natuurlijk niet. Dat zullen ook Ginette en ikzelf later op de dag beamen. Na de lunch bezoeken we de nederzetting van de Palaung, die tot het Mon-Khmer volk behoren. Bijzonder zijn hun primitieve en karakteristieke ‘longhouses’ waar verschillende families wonen en waar een oude stamvader regeert. De Palaung vrouwen onderscheiden zich opvallend door hun rode sarongs die met dito kleurige bamboestrengen rond hun middel worden vastgesnoerd. Dit is het meest armoedige dorp dat we tot op heden hebben bezocht. De terugweg besluiten Ginette en ikzelf ook per ossenkar te doen en ja hoor, ook ons achterwerk doet pijn.  Langsheen hobbelige, smalle weggetjes moet dat arme beest ons voort trekken. De bus staat ons op te wachten maar Erwin en Guy zijn er nog niet. Iedereen denkt dat ze verloren zijn en de bus vertrekt zonder hen. Bernadette en ikzelf zijn er niet gerust in en worden een beetje boos op onze gids. We besluiten later met een taxi terug te keren. Wanneer we echter in het Pine Hill Resort aankomen, zien we beide heren al helemaal gewassen een aperitiefje nuttigen op het terras. Ze waren gewoon doorgelopen naar het hotel en onze gids was hiervan natuurlijk op de hoogte. Er wordt hartelijk gelachen met onze naïviteit